top of page

Zwijgrecht bij fiscale controle: moet u antwoorden wanneer de fiscus fraude vermoedt?


In het kort

De medewerkingsplicht bij een fiscale controle is verregaand, maar niet absoluut. Zodra de controle een strafrechtelijk karakter krijgt, kan het nemo tenetur-beginsel de belastingplichtige beschermen tegen gedwongen zelfincriminatie. Vooral wanneer de fiscus aanwijzingen van fraude meedeelt of sancties met een strafrechtelijk karakter dreigen, wordt het zwijgrecht relevant.

Dat betekent echter niet dat iedere medewerking mag worden geweigerd. Het zwijgrecht beschermt vooral tegen het gedwongen verstrekken van wilsafhankelijke informatie. Reeds bestaande boekhouding en andere wilsonafhankelijke stukken moeten in beginsel nog steeds worden voorgelegd. Waar precies de grens ligt, hangt af van de concrete omstandigheden van de fiscale controle.

Een fiscale controle roept vaak meer vragen op dan de fiscus zelf beantwoordt. Als advocaten gespecialiseerd in fiscale controles krijgen wij bij Aeacus Lawyers dan ook regelmatig dezelfde bezorgdheden: “Ben ik verplicht om op elke vraag van de fiscus te antwoorden?”, “Kan ik beter zwijgen wanneer de fiscus fraude wordt vermoed?” en vooral: “Zal mijn stilzwijgen niet juist tegen mij worden gebruikt?”.

Het antwoord is genuanceerder dan vaak wordt gedacht. De fiscale medewerkingsplicht is immers verregaand, maar niet onbeperkt. Zodra een controle een repressief karakter krijgt, komt ook het fundamentele recht om zichzelf niet te incrimineren in beeld. Waar die grens precies ligt, en wanneer spreken juridisch riskanter kan worden dan zwijgen, bekijken we in dit artikel.

Zwijgrecht in fiscale controle

Inhoudstafel

1. Wanneer medewerken plots zelfincriminatie kan worden

Wie een fiscale controle krijgt, moet in beginsel meewerken. De fiscus mag boeken en bescheiden opvragen, vragen stellen en inlichtingen verzamelen (waaronder mogelijk een bankonderzoek) om de belastbare inkomsten correct vast te stellen. Maar wat als de administratie tijdens diezelfde controle vermoedt dat er fraude is gepleegd? Moet de belastingplichtige dan nog steeds antwoorden op vragen wanneer die antwoorden later tegen hem kunnen worden gebruikt?

Precies daar ontstaat een spanningsveld tussen twee fundamentele uitgangspunten. Enerzijds kent het Belgische fiscale recht een verregaande medewerkingsplicht. Anderzijds beschermt artikel 6 EVRM het recht om zichzelf niet te incrimineren, het zogenaamde nemo tenetur-beginsel. Ook artikel 14, 3°, g BUPO beschermt uitdrukkelijk het recht om niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen.

Het ene beginsel schakelt het andere echter niet zomaar uit. Een vermoeden van fraude geeft een belastingplichtige geen algemeen recht om iedere vraag onbeantwoord te laten. Omgekeerd kan de fiscus zijn wettelijke onderzoeksbevoegdheden niet zonder meer gebruiken om een belastingplichtige onder dwang bewijs tegen zichzelf te laten produceren zodra de procedure een strafrechtelijk karakter heeft gekregen.

De cruciale vraag is dan ook waar de grens ligt tussen de fiscale plicht om mee te werken en het fundamentele recht om te zwijgen.

2. De medewerkingsplicht blijft het uitgangspunt

Het Belgische fiscale recht vertrekt van een ruime medewerkingsplicht.

De artikelen 315, 316 en 317 WIB 1992 verplichten de belastingplichtige om de boeken en bescheiden voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen en om de door de administratie gevraagde inlichtingen te verstrekken. Voor de BTW vloeien vergelijkbare verplichtingen voort uit de artikelen 60, 61 en 62, § 1 WBTW.

Die verplichtingen zijn niet vrijblijvend. Wie weigert mee te werken, riskeert onder meer een aanslag van ambtswege met omkering van de bewijslast overeenkomstig artikel 351 WIB 1992. Daarnaast kan op grond van artikel 445 WIB 1992 een administratieve geldboete tot 1.250 EUR worden opgelegd.

Ook inzake BTW kan een weigering om mee te werken worden gesanctioneerd. Voor de weigering van toegang tot beroepslokalen voorzien artikel 70, § 4 WBTW en KB nr. 44 in geldboetes van 1.000 EUR bij een eerste overtreding, 2.000 EUR bij een tweede overtreding en 5.000 EUR bij volgende overtredingen. Wanneer de niet medewerking met bedrieglijk opzet gebeurt, kan artikel 73 WBTW zelfs aanleiding geven tot een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar.

De basisregel is dus duidelijk: tijdens een fiscale controle moet de belastingplichtige in principe meewerken.

Opvallend is evenwel dat de Belgische belastingadministratie tijdens een fiscale controle in de praktijk geen cautie geeft, met andere woorden geen voorafgaande kennisgeving van het zwijgrecht. Vanuit het zuiver fiscale kader is dat begrijpelijk. Het wordt juridisch gevoeliger zodra het onderzoek niet langer uitsluitend op belastingheffing is gericht en een repressieve dimensie krijgt.

3. Nemo tenetur (zwijgrecht): niemand moet zichzelf beschuldigen

Het nemo tenetur-beginsel betekent dat niemand kan worden gedwongen zichzelf te beschuldigen.

Hoewel dit beginsel niet uitdrukkelijk in artikel 6 EVRM is opgenomen, erkent het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het recht om te zwijgen en het recht om zichzelf niet te incrimineren als fundamentele bestanddelen van het recht op een eerlijk proces.

De achterliggende gedachte is essentieel. De overheid moet haar zaak in beginsel kunnen bewijzen zonder gebruik te maken van bewijsmateriaal dat onder dwang of druk en met miskenning van de wil van de beschuldigde werd verkregen.

Artikel 14, 3°, g BUPO beschermt het zwijgrecht bovendien uitdrukkelijk. Ook binnen het Unierecht werd het verbod van zelfincriminatie erkend. Zo aanvaardde het Hof van Justitie reeds in Orkem/Commissie (HvJ 19 oktober 1989) dat het verbod van zelfincriminatie een fundamenteel beginsel vormt.

In fiscale strafzaken sensu stricto is het bestaan van deze bescherming dan ook weinig controversieel. De moeilijkheid ligt elders: vanaf welk ogenblik krijgt een fiscale controle een zodanig strafrechtelijk karakter dat de belastingplichtige zich op die bescherming kan beroepen?

4. Wanneer wordt een fiscale controle een “strafvervolging”?

Artikel 6 EVRM koppelt zijn strafrechtelijke waarborgen aan het bestaan van een zogenaamde criminal charge. Dat begrip wordt door het EHRM autonoom geïnterpreteerd. De kwalificatie die het nationale recht aan een procedure geeft, is dus niet doorslaggevend.

Om te bepalen of sprake is van een strafvervolging hanteert het EHRM sinds het arrest Engel drie criteria: 1) de interne kwalificatie van de inbreuk, 2) de aard van de inbreuk en de aard en 3) ernst van de mogelijke sanctie. Die criteria zijn niet cumulatief.

Dat is voor fiscale procedures bijzonder relevant. Een fiscale sanctie kan naar Belgisch recht administratief worden genoemd en toch voor de toepassing van artikel 6 EVRM een strafrechtelijk karakter hebben.

Het Hof van Cassatie aanvaardde reeds in 1992 dat de artikelen 6 EVRM en 14 BUPO toepassing kunnen vinden in fiscale zaken wanneer de fiscale procedure uitmondt of zal uitmonden in een strafrechtelijke sanctie. Ook werd in de Belgische rechtspraak aanvaard dat een belastingverhoging op grond van artikel 444 WIB 1992 een strafrechtelijk karakter kan hebben in de zin van artikel 6 EVRM.

Daarbij komt dat de belastingadministratie zelf aanzienlijke sancties kan opleggen, waaronder belastingverhogingen en BTW boetes tot 200 procent. Bovendien bestaan er communicatielijnen tussen de fiscale administratie en het Openbaar Ministerie.

Een onderzoek dat formeel fiscaal blijft, kan daardoor materieel toch binnen het toepassingsgebied van de strafrechtelijke waarborgen van artikel 6 EVRM vallen.

5. Het kantelmoment: wanneer begint het zwijgrecht te spelen in een fiscale controle?

Dit is wellicht de moeilijkste vraag in de praktijk.

Van een criminal charge kan sprake zijn wanneer de overheid handelingen stelt waardoor de betrokkene redelijkerwijs mag verwachten dat tegen hem een strafvervolging is ingesteld of zal worden ingesteld.

Het gaat dus niet noodzakelijk om het ogenblik waarop formeel een strafdossier wordt geopend. Ook vóór dat tijdstip kan de fiscale procedure een zodanig repressief karakter krijgen dat de waarborgen van artikel 6 EVRM relevant worden.

Een belangrijk signaal is de toepassing van de verlengde onderzoekstermijn wegens fraude overeenkomstig artikel 333, derde lid WIB 1992. Wanneer de belastingadministratie de onderzoekstermijn uitbreidt wegens aanwijzingen van fraude, is dat een belangrijke aanwijzing dat het onderzoek een andere dimensie heeft gekregen.

De rechtbank van eerste aanleg te Luik heeft de verzending van het kennisgevingsbericht waarin de belastingplichtige wordt meegedeeld dat er aanwijzingen van fiscale fraude bestaan, aangemerkt als een doorslaggevend kantelmoment. Voor BTW geschillen bestaat een vergelijkbare regeling in artikel 84ter WBTW.

Ook andere Belgische rechtspraak sluit daarbij aan. De rechtbank van eerste aanleg te Brussel preciseerde dat het zwijgrecht kan worden ingeroepen wanneer de belastingplichtige zich ervan bewust kan zijn dat hij wordt geconfronteerd met een beschuldiging van strafrechtelijke aard.

Het hof van beroep te Antwerpen formuleerde het criterium in vergelijkbare zin. Een belastingplichtige kan zich op het zwijgrecht beroepen zodra hij redelijkerwijs kan verwachten het voorwerp van een strafvordering te zullen uitmaken. In dat verband wordt ook gesproken van een materiële inverdenkingstelling.

Een fraudekennisgeving is dus een belangrijk signaal, maar geen universeel en automatisch kantelmoment. De concrete omstandigheden van de controle blijven bepalend.

6. De Europese rechtspraak over het zwijgrecht in fiscale zaken

6.1. Funke t. Frankrijk: de overheid kan u niet dwingen haar bewijs te creëren

Een van de eerste fundamentele arresten is Funke t. Frankrijk (EHRM 25 februari 1993).

De Franse douaneautoriteiten wilden dat Funke bepaalde bankafschriften voorlegde en trachtten hem daartoe onder meer via een dwangsom te verplichten. Het EHRM stelde een schending vast van artikel 6, § 1 EVRM omdat de overheid hem had gedwongen bewijsmateriaal te leveren dat zijn eigen veroordeling kon ondersteunen.

Het arrest maakte duidelijk dat het recht om zichzelf niet te incrimineren ook buiten een klassiek strafrechtelijk verhoor betekenis kan hebben. Ook fiscale en douaneprocedures kunnen binnen het toepassingsgebied van het nemo tenetur-beginsel vallen.

6.2. J.B. t. Zwitserland: ook fiscale boetes kunnen het zwijgrecht activeren

De fiscale betekenis van het zwijgrecht werd verder uitgewerkt in J.B. t. Zwitserland (EHRM 3 mei 2001).

De Zwitserse belastingdienst verplichtte de betrokken belastingplichtige herhaaldelijk documenten voor te leggen waaruit niet aangegeven inkomsten konden blijken. De administratie vroeg niet minder dan achtmaal om dezelfde documenten en legde daarbij herhaaldelijk boetes op.

Het EHRM stelde een schending van artikel 6, § 1 EVRM vast.

Van bijzonder belang is dat het Hof erkende dat een belastingplichtige bescherming kan genieten wanneer de gevraagde informatie kan worden gebruikt voor het opleggen van boetes die naar hun aard als strafsancties moeten worden beschouwd.

Daarmee werd duidelijk dat de bescherming niet afhankelijk is van het etiket dat de nationale wetgever op een sanctie kleeft.

6.3. Chambaz t. Zwitserland: ook de dreiging van een sanctie kan volstaan

Het arrest Chambaz t. Zwitserland (EHRM 5 april 2012) heeft in de Belgische fiscale praktijk bijzonder veel aandacht gekregen.

Het EHRM verduidelijkte daarin dat het zwijgrecht niet uitsluitend relevant is wanneer reeds effectief een sanctie wegens belastingontduiking werd opgelegd. De bescherming kan ook spelen wanneer niet volledig kan worden uitgesloten dat een dergelijke sanctie later zal volgen.

Het Hof oordeelde bovendien dat de gevolgen van een schending van het zwijgrecht zoveel mogelijk ongedaan moeten worden gemaakt.

De draagwijdte daarvan voor België is aanzienlijk. Fiscale procedures kunnen immers uitmonden in administratieve geldboetes of belastingverhogingen die voor de toepassing van artikel 6 EVRM een strafrechtelijk karakter hebben.

Daaruit volgt echter niet dat iedere fiscale controle automatisch een strafprocedure is en evenmin dat de belastingplichtige vanaf het eerste contact met de fiscus ieder antwoord mag weigeren. De concrete omstandigheden blijven bepalend.

6.4. Van Weerelt en De Légé: het zwijgrecht kent grenzen

De latere rechtspraak van het EHRM heeft de bescherming verder genuanceerd.

In Van Weerelt t. Nederland (EHRM 16 juni 2015) bevestigde het Hof dat het zwijgrecht het gebruik van dwangmaatregelen niet noodzakelijk verhindert wanneer een belastingplichtige wordt verplicht informatie over zijn financiële toestand te verstrekken, mits voldoende waarborgen bestaan om te verhinderen dat die informatie vervolgens voor strafrechtelijke doeleinden wordt gebruikt.

Nog belangrijker is De Légé t. Nederland (EHRM 4 oktober 2022). Daar bevestigde het Hof dat het gedwongen verstrekken van reeds bestaande documenten betreffende een buitenlandse bankrekening niet noodzakelijk strijdig is met het zwijgrecht.

Daarbij was onder meer van belang dat de dwang gericht was op het verkrijgen van de documenten, dat die documenten relevant waren voor het onderzoek en dat de autoriteiten op de hoogte waren van het bestaan ervan.

Die rechtspraak brengt ons bij een onderscheid dat in de praktijk van doorslaggevend belang is: het verschil tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal.

7. Wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal

Het nemo tenetur-beginsel beschermt in de eerste plaats tegen het gedwongen verstrekken van wilsafhankelijk materiaal.

Daarmee wordt informatie bedoeld die slechts door de actieve medewerking van de betrokkene tot stand komt. Denk bijvoorbeeld aan verklaringen of antwoorden waarbij de belastingplichtige zelf informatie moet formuleren die mogelijk belastend voor hem is.

Anders ligt het bij materiaal dat onafhankelijk van zijn wil reeds bestaat. Klassieke voorbeelden uit de rechtspraak zijn bloedmonsters en ademtesten, maar in fiscale zaken is vooral de positie van de wettelijk verplichte boekhouding relevant.

Het Grondwettelijk Hof bevestigde dit onderscheid in zijn arrest nr. 116/2017 van 12 oktober 2017. Voor zover de fiscale visitatie uitsluitend gericht is op de juiste belastingheffing, kan de belastingplichtige zich niet op het zwijgrecht beroepen om aan zijn medewerkingsplicht te ontsnappen.

Het recht om zichzelf niet te beschuldigen strekt zich volgens het Hof niet uit tot het gebruik in strafzaken van gegevens die met dwangmaatregelen kunnen worden verkregen, maar onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige bestaan, zoals een wettelijk te voeren boekhouding.

Een belastingplichtige kan zich bijgevolg in beginsel niet op het zwijgrecht beroepen om de voorlegging van zijn boekhouding en boekhoudkundige stukken te weigeren wanneer het gaat om documenten waarvan het bestaan vaststaat en die dienen om de belastingheffing mogelijk te maken.

Dat is een essentiële nuance. Het recht om te zwijgen is niet hetzelfde als een recht om alle bestaande bewijsstukken achter te houden.

Een verzoek om een reeds bestaande factuur of wettelijk bijgehouden boekhouding voor te leggen, is juridisch immers niet noodzakelijk hetzelfde als de vraag om uit te leggen waarom een bepaalde verrichting op een bepaalde manier werd opgezet.

In dat laatste geval moet de belastingplichtige zelf actief informatie produceren. Wanneer die verklaring hem rechtstreeks kan incrimineren en de procedure inmiddels een strafrechtelijk karakter heeft gekregen, kan het nemo tenetur-beginsel veel nadrukkelijker spelen.

8. Wat als de fiscus het zwijgrecht schendt?

8.1. Mogelijke gevolgen van een schending

Een schending van het nemo tenetur-beginsel kan belangrijke rechtsgevolgen hebben, maar leidt niet noodzakelijk automatisch tot dezelfde sanctie.

Afhankelijk van de concrete omstandigheden kan onder meer sprake zijn van de nietigheid van administratieve boetes of belastingverhogingen die werden opgelegd op basis van onrechtmatig verkregen informatie.

Ook de nietigheid van een aanslag van ambtswege kan aan de orde zijn wanneer die werd gevestigd als sanctie voor een weigering om mee te werken terwijl die weigering door het zwijgrecht werd beschermd.

In een strafprocedure kan bovendien discussie ontstaan over de uitsluiting van bewijsmateriaal dat tijdens de fiscale controle onder dwang werd verkregen.

In uitzonderlijke omstandigheden kan zelfs de ontvankelijkheid van de strafvordering in het gedrang komen wanneer de rechten van verdediging onherstelbaar werden aangetast. In dat verband kan worden verwezen naar de Transnuclear zaak (Antwerpen 30 januari 1991, bevestigd door Cass. 6 mei 1993).

8.2. De Antigoon toets in fiscale zaken

Wanneer bewijs onrechtmatig werd verkregen, betekent dat naar Belgisch recht niet automatisch dat het volledig buiten beschouwing moet worden gelaten.

Onrechtmatig verkregen bewijs wordt naar Belgisch recht niet automatisch geweerd. De Antigoon-doctrine, vernoemd naar het arrest van het Hof van Cassatie van 14 oktober 2003, vervangt de vroegere automatische bewijsuitsluiting door een rechterlijke belangenafweging. De rechter weegt drie criteria af: 1

  1. was er sprake van een bijzondere nietigheid;

  2. druist het gebruik van het bewijs zo ernstig in tegen de beginselen van behoorlijk bestuur dat een eerlijk proces onmogelijk wordt;

  3. of schaadt het gebruik ervan het recht op verdediging onherstelbaar?

Het Hof van Cassatie paste dit principe op 22 mei 2015 ook uitdrukkelijk toe in fiscale zaken, namelijk voor de belastingheffing zelf. Enkel in de drie gevallen hierboven mag het bewijs worden geweerd; buiten die gevallen kan de fiscus onrechtmatig verkregen stukken gewoon gebruiken om de aanslag te vestigen.

Wanneer Unierecht in het geding is, in het bijzonder bij BTW, kan de lat hoger liggen. In WebMindLicenses (HvJ 17 december 2015, C-419/14) oordeelde het Hof van Justitie dat elke niet-gerechtvaardigde schending van een grondrecht bij de bewijsgaring de geldigheid van de BTW-aanslag kan aantasten, ook al was het bewijs bruikbaar geweest onder louter nationaal recht.

Het debat over de fiscale Antigoon-leer is overigens niet gesloten. Het meest recente federale regeerakkoord voorziet uitdrukkelijk in de totstandbrenging van een wettelijk kader voor het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken, een erkenning dat de huidige op rechtspraak gebaseerde regeling als onvoldoende rechtszekerheid wordt beschouwd.

8.3. Fiscale en strafrechtelijke procedures naast elkaar

De problematiek wordt nog complexer doordat een fiscaal onderzoek en een strafrechtelijke behandeling van dezelfde feiten naast elkaar kunnen bestaan.

Bij ernstige fiscale fraude bestaat een verplicht una via overleg tussen de belastingadministratie en het Openbaar Ministerie overeenkomstig artikel 29, § 3 Sv.

Artikel 29bis, tweede lid Sv. bepaalt bovendien dat het feit dat de fiscale administratie belastingen vestigt, een strafvordering niet verhindert, voor zover de fiscale en strafrechtelijke behandeling van de feiten deel uitmaken van een samenhangend geheel in tijd en inhoud.

Het is dus mogelijk dat informatie die tijdens een fiscale controle wordt verzameld later ook relevant wordt in een strafrechtelijke context. Precies daarom zijn het moment waarop informatie wordt gevraagd, de manier waarop zij wordt verkregen en de aard van die informatie zo belangrijk.

9. Wat doet u concreet wanneer de fiscus fraude vermoedt?

Een belastingplichtige die een fiscale controle ondergaat, mag niet automatisch veronderstellen dat een vermoeden van fraude hem ontslaat van iedere medewerkingsplicht. Dat is niet het geval.

Een kennisgeving waarin de belastingadministratie meedeelt dat er aanwijzingen van fiscale fraude bestaan en daarom de onderzoekstermijn verlengt overeenkomstig artikel 333, derde lid WIB 1992 of artikel 84ter WBTW, vormt wel een belangrijk waarschuwingssignaal. Vanaf dat ogenblik moet bijzonder zorgvuldig worden nagegaan welke informatie wordt gevraagd en waarvoor die informatie kan worden gebruikt.

Voor wettelijk verplichte boekhouding en andere reeds bestaande stukken blijft de medewerkingsplicht in beginsel gelden (waaronder mogelijks een bankonderzoek). Een beroep op het zwijgrecht biedt dus geen algemene grond om inzage in de boekhouding te weigeren.

Bij verklaringen en antwoorden op vragen ligt dat anders. Wanneer de fiscus informatie vraagt die slechts door de actieve medewerking van de belastingplichtige kan worden geproduceerd en die hem mogelijk kan incrimineren, kan het nemo tenetur-beginsel bescherming bieden zodra de procedure een strafrechtelijk karakter heeft gekregen.

Ook een te lichtvaardig beroep op het zwijgrecht houdt risico's in. Wanneer achteraf blijkt dat de weigering niet beschermd was, kan de belastingplichtige geconfronteerd worden met de fiscale gevolgen van zijn niet medewerking.

Daarom moet niet alleen worden gekeken naar wat de fiscus vraagt, maar ook naar wanneer, waarom en in welke context de vraag wordt gesteld.

Hoewel de Salduz regeling van artikel 47bis Sv. in beginsel niet rechtstreeks van toepassing is op fiscale verhoren, wordt in de rechtsleer gepleit voor een verdere doorwerking van de Salduz leer in fiscale zaken. Zodra een fiscale controle duidelijk een repressieve dimensie krijgt, kan tijdige bijstand van een raadsman dan ook van groot belang zijn.

10. Conclusie

Het zwijgrecht bij een fiscale controle is geen vrijgeleide om niet langer met de belastingadministratie mee te werken. De wettelijke medewerkingsplicht blijft het uitgangspunt.

Maar die plicht is evenmin onbeperkt.

Zodra een fiscale procedure een strafrechtelijk karakter krijgt, kan het nemo tenetur-beginsel de belastingplichtige beschermen tegen het gedwongen verstrekken van informatie waarmee hij zichzelf incrimineert. Daarbij is niet alleen het stadium van de procedure van belang. Ook de aard van de gevraagde informatie is doorslaggevend.

De rechtspraak van het EHRM, onder meer Funke, J.B. t. Zwitserland, Chambaz, Van Weerelt en De Légé, maakt duidelijk dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen wilsafhankelijke informatie en materiaal dat reeds onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige bestaat. Ook het Grondwettelijk Hof bevestigde die benadering in zijn arrest nr. 116/2017 van 12 oktober 2017.

De praktische vraag is daarom zelden eenvoudigweg: “Mag ik zwijgen?”

De juiste vraag is: “Wat vraagt de fiscus precies van mij, in welk stadium van het onderzoek gebeurt dat en kan mijn medewerking worden gebruikt om mijzelf te incrimineren?”

Net omdat het antwoord daarvan afhangt, bestaat er geen automatische vuistregel. Een belastingplichtige die te vroeg weigert mee te werken, kan worden gesanctioneerd. Wie daarentegen zonder voorbehoud verklaringen aflegt wanneer de controle reeds een repressief karakter heeft gekregen, kan informatie verschaffen die later tegen hem wordt gebruikt.

afgestemd.

Over Aeacus

Aeacus is het go to kantoor voor fiscale procedures en fiscaal strafrecht. Onze advocaten staan particulieren, ondernemingen en vermogende families dagelijks bij tijdens fiscale controles, berichten van wijziging, aanslagen van ambtswege, bezwaarprocedures en gerechtelijke fiscale geschillen.

Onze meerwaarde ligt in de combinatie van een doorgedreven inhoudelijke fiscale expertise en een uitgebreide kennis van het fiscaal procesrecht. Een fiscaal geschil draait immers niet alleen om de vraag hoeveel belasting verschuldigd is, maar ook om de vraag of de fiscale administratie de wettelijke procedure, onderzoekstermijnen, aanslagtermijnen en andere procedurele waarborgen correct heeft nageleefd.

 Hebt u vragen over het zwijgrecht of wenst u ondersteuning bij een lopende fiscale controle? Plan dan gerust een gratis en vrijblijvende afspraak in om uw dossier of concrete vragen met ons te bespreken.



Christophe Romero Senne Verholle

 
 

CONTACT

Aeacus Lawyers staat tot uw dienst voor al uw juridische vragen. U kan met ons geheel vrijblijvend contact opnemen via het onderstaande e-mailadres of door het onderstaande formulier in te vullen. Wij komen zo spoedig mogelijk bij u terug. 

bottom of page