top of page

Buitenlandse bankrekening: mag de fiscus uw volledige saldo belasten?

11 uur geleden
5 minuten om te lezen

Een aanzienlijk bedrag op een buitenlandse bankrekening kan aanleiding geven tot een fiscale controle. Maar mag de fiscus dat volledige saldo beschouwen als inkomen van het onderzochte jaar? Het hof van beroep te Antwerpen verduidelijkt in een arrest van 2 juni 2026 dat de administratie de vermogensaangroei tijdens het betrokken belastbare tijdperk moet aantonen. Ook moet zij rekening houden met het bestaande vermogen en de rechten van andere betrokkenen op de rekening.

In het kort

Bij een indiciaire taxatie kan de fiscus uitgaven en vermogensaangroei belasten wanneer die niet worden verklaard door de aangegeven inkomsten of andere verantwoorde middelen. Een banksaldo op het einde van het jaar volstaat echter niet om aan te tonen dat het volledige bedrag tijdens dat jaar werd opgebouwd.

In deze zaak moest het indiciaire tekort aanzienlijk worden verminderd omdat effecten al vóór het onderzochte jaar aanwezig waren. Uiteindelijk vernietigde het hof de volledige aanslag wegens willekeur: de fiscus had bij de toerekening van het buitenlandse vermogen onvoldoende rekening gehouden met andere op de bankfiches vermelde gerechtigden. Een subsidiaire aanslag blijft wel mogelijk.

Buitenlandse bankgegevens leiden tot een indiciaire taxatie

De Belgische fiscus ontving van de Franse belastingadministratie gegevens die een echtpaar linkten aan verschillende Zwitserse bankrekeningen. Het echtpaar had in zijn belastingaangiften noch het bestaan van buitenlandse rekeningen, noch buitenlandse inkomsten aangegeven.

Dergelijke informatie kan aanleiding geven tot een onderzoek. Daarbij moet afzonderlijk worden nagegaan hoe ver de fiscus op basis van buitenlandse fiscale informatie mag teruggaan en wat die gegevens inhoudelijk bewijzen. In het hier besproken arrest stond vooral de berekening van het belastbare inkomen centraal.

De fiscus paste voor aanslagjaar 2006 artikel 341 WIB 92 toe. Die bepaling laat toe om uitgaven of vermogensaangroei die niet door de aangegeven inkomsten worden verklaard, als belastbaar inkomen aan te merken, tenzij de belastingplichtige aantoont dat ze met andere middelen werden gefinancierd, zoals eerder opgebouwd spaargeld, een lening of een schenking.

Zij meende dat ongeveer 5,43 miljoen euro als inkomen van onbepaalde oorsprong moest worden belast, voor de helft bij elke echtgenoot. Daarnaast werd een belastingverhoging van 50% aangekondigd.

De taxatie steunde op individuele bankfiches met persoonsgegevens, rekeninggegevens en informatie over de hoedanigheid waarin het echtpaar bij de rekeningen betrokken was.

Wat moet de fiscus bewijzen bij een indiciaire taxatie?

Artikel 341 WIB 92 laat de administratie toe om de belastbare grondslag te ramen volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten.

Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand uitgaven doet of vermogen opbouwt waarvoor de aangegeven inkomsten geen voldoende verklaring bieden. Een dergelijk verschil kan ook aanleiding geven tot een bankonderzoek door de fiscus, waarvoor afzonderlijke wettelijke voorwaarden gelden.

Voordat de belastingplichtige het tegenbewijs moet leveren, moet de administratie de ingeroepen uitgaven, bestedingen of vermogensaangroei aantonen. Die moeten steunen op vaste en onbetwistbare gegevens. De fiscus mag de berekening niet willekeurig opstellen.

Het onderscheid tussen een vermogenstoestand en een vermogensaangroei is daarbij essentieel. Een rekening waarop op 31 december een aanzienlijk bedrag staat, bewijst op zichzelf niet dat dit volledige bedrag tijdens datzelfde jaar werd opgebouwd.

Een onbekend beginsaldo is niet automatisch nul

Een van de betrokken rekeningen bestond al sinds 1988. De fiscus kende het saldo op 31 december 2005, maar niet het saldo bij het begin van dat jaar.

Volgens het hof mocht de administratie daarom niet zonder meer aannemen dat het beginsaldo nul bedroeg.

Tijdens de procedure werden overzichten van effectentransacties voorgelegd. Daaruit bleek dat verschillende effecten vóór 2005 waren aangekocht en in 2005 werden verkocht. Het hof aanvaardde dat die effecten op 1 januari 2005 al aanwezig waren en een beginvermogen van minstens ongeveer 2,47 miljoen euro vertegenwoordigden.

De vermogensafname op die rekening moest bijgevolg in mindering worden gebracht van het indiciaire tekort.

De concrete bewijsstukken maakten hier het verschil. De belastingplichtige kreeg niet zomaar gelijk voor het volledige door haar aangevoerde beginvermogen. Haar berekening hield immers onvoldoende rekening met alle verrichtingen, waaronder aankopen en verkopen van effecten.

Wanneer kan een beginsaldo van nul wel worden aangenomen?

Voor een andere rekening kwam het hof tot een andere beoordeling.

Volgens de bankfiches werd het klantenprofiel van de vennootschap in februari 2005 aangemaakt. Het hof leidde daaruit af dat de rekening ten vroegste op dat moment kon zijn geopend. Omdat er eind 2005 geld op stond, moest de rekening dus in de loop van 2005 zijn geopend.

Voor die rekening mocht de administratie volgens het hof wel uitgaan van een beginsaldo van nul.

Het arrest verhindert dus niet dat de fiscus de vermogensaangroei via bankgegevens bewijst. De beschikbare gegevens moeten de gekozen beginstand en de aangroei tijdens het onderzochte tijdperk daadwerkelijk ondersteunen.

Dezelfde bankrekening mag niet dubbel worden geteld

Het hof verduidelijkt ook hoe rekeningbewegingen in een indiciaire afrekening kunnen worden verwerkt.

De administratie kan rekening houden met het verschil tussen het beginsaldo en het eindsaldo. Een aangroei vormt dan een te verantwoorden vermogensbeweging, terwijl een afname middelen kan verklaren waarmee andere uitgaven zijn gefinancierd.

Een andere werkwijze bestaat erin de individuele bankverrichtingen te onderzoeken.

Wanneer de fiscus zowel het volledige saldoverloop als afzonderlijke verrichtingen meetelt, kan dezelfde rekening echter dubbel worden gebruikt. Het hof merkt dat dubbele gebruik aan als willekeurig.

Bij de controle van een indiciaire afrekening verdient daarom niet alleen het eindresultaat aandacht. Ook de manier waarop de administratie de verschillende rekeningbewegingen combineert, moet worden nagegaan.

Waarom werd de volledige aanslag vernietigd?

De uiteindelijke vernietiging berustte op de toerekening van het buitenlandse vermogen.

De administratie beschouwde het echtpaar als de werkelijke economische begunstigden van een rekening op naam van een vennootschap. Het hof aanvaardde dat zij vermogensrechtelijke aanspraken op die rekening hadden. Onder meer een vastgelegd telefoongesprek over een uitbetaling naar hun eigen rekening ondersteunde die beoordeling.

Maar dezelfde bankfiches vermeldden ook andere rechtspersonen als rekeninghouder, volmachthouder of economisch begunstigde. Volgens het hof bleek niet dat die andere betrokkenen geen vermogensrechtelijke aanspraken konden hebben.

De fiscus had bovendien in het bericht van wijziging van aangifte zelf een verdeling aangekondigd wanneer meerdere gerechtigden betrokken waren. Toch werd het saldo niet overeenkomstig die benadering verdeeld.

Het hof oordeelde daarom dat de aanslag met willekeur was behept en vernietigde hem volledig.

Die beoordeling is verbonden aan de concrete bankfiches en de door de administratie aangekondigde werkwijze. Het arrest stelt geen algemene regel vast dat elke rekeningvolmacht automatisch een eigendomsaandeel oplevert.

Wat betekent dit bij een fiscale controle?

Wie een indiciaire afrekening ontvangt, moet kunnen nagaan welke vermogensaangroei de fiscus precies belast en op welke gegevens de berekening steunt.

Bij buitenlandse rekeningen zijn vooral het beginvermogen, de volledige transactiegeschiedenis en de rechten op de rekening van belang. Oudere aankoopbewijzen en effectenoverzichten kunnen aantonen dat middelen al vóór het onderzochte jaar aanwezig waren. Ook moet worden gecontroleerd of rekeningbewegingen dubbel zijn geteld.

Een samenhangend bewijsdossier is daarom een belangrijk onderdeel van uw verdediging bij een belastingcontrole. De stukken moeten duidelijk maken welke middelen al aanwezig waren, hoe het vermogen evolueerde en aan wie de betrokken tegoeden toebehoorden.

De vernietiging betekent in deze zaak overigens nog geen definitieve vrijstelling. Omdat de aanslag niet wegens verjaring werd vernietigd, bood het hof de Belgische Staat overeenkomstig artikel 356 WIB 92 de mogelijkheid om binnen zes maanden na het arrest een subsidiaire aanslag voor te leggen. Over de geldigheid daarvan werd in dit arrest nog geen uitspraak gedaan.

Bron: hof van beroep Antwerpen 2 juni 2026, rolnummer 2024/AR/1481.

 
 

CONTACT

Aeacus Lawyers staat tot uw dienst voor al uw juridische vragen. U kan met ons geheel vrijblijvend contact opnemen via het onderstaande e-mailadres of door het onderstaande formulier in te vullen. Wij komen zo spoedig mogelijk bij u terug. 

bottom of page