top of page

Laattijdige fraudekennisgeving: vier belastingaanslagen vernietigd

11 uur geleden
4 minuten om te lezen

Wanneer de fiscus een verlengde onderzoekstermijn wegens fraude wil gebruiken, moet hij de daarvoor voorgeschreven kennisgeving tijdig bezorgen. Een document dat pas tijdens het gesprek met de belastingplichtige wordt overhandigd, kan te laat komen. Dat blijkt uit een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 juni 2026. De BBI begon vragen te stellen vóór de kennisgeving werd overhandigd. Het hof vernietigde de aanslagen voor vier aanslagjaren.

In het kort

De BBI ondervroeg een belastingplichtige over oudere inkomstenjaren, maar overhandigde de kennisgeving van uitbreiding van de onderzoekstermijn pas een uur na de aanvang van het gesprek. Volgens het hof schond dat de verplichting tot voorafgaande kennisgeving van artikel 333, derde lid WIB 92, zoals destijds van toepassing.

Omdat de aanslagen mede op die verklaringen steunden, werden de aanslagen voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2017 vernietigd. De fiscus krijgt wel de mogelijkheid om subsidiaire aanslagen voor te leggen. Voor de aanslagjaren 2018 tot en met 2020 bleven de aanslagen en de belastingverhoging van 50% behouden.

Een gesprek met de BBI in een brasserie

De belastingplichtige ontving volgens de administratie jarenlang vergoedingen voor consultancyactiviteiten zonder die aan te geven. Het onderzoek ontstond naar aanleiding van een controle bij een zakenrelatie en diens vennootschappen. Daarbij ontdekte de fiscus verschillende overschrijvingen naar de belastingplichtige.

Op 17 september 2020 wilden twee inspecteurs hem daarover ondervragen. Omdat hij niet thuis was, werd telefonisch afgesproken om elkaar omstreeks 13 uur in een brasserie te ontmoeten.

De inspecteurs stelden vragen over zijn inkomsten, zijn prestaties voor de vennootschappen en een consultancyovereenkomst. Pas om 14 uur overhandigden zij een kennisgeving van uitbreiding van de onderzoekstermijn voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2017.

De volgorde van die handelingen bleek bepalend voor de geldigheid van de aanslagen.

Verlengde onderzoekstermijn vereist voorafgaande kennisgeving

Volgens het destijds toepasselijke artikel 333, derde lid WIB 92 mocht de fiscus tijdens een aanvullende termijn van vier jaar onderzoek verrichten wanneer hij de belastingplichtige vooraf schriftelijk en nauwkeurig informeerde over de bestaande aanwijzingen van belastingontduiking voor de betrokken periode.

Die voorafgaande kennisgeving was uitdrukkelijk voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.

De kennisgeving moet dus zowel inhoudelijk als wat het tijdstip betreft aan de wettelijke voorwaarden voldoen. In ons artikel over een vage fraudekennisgeving bij een verlengde onderzoekstermijn bespreken we een ander arrest waarin de omschrijving van de fraudeaanwijzingen tekortschiet. In deze zaak stond vooral het tijdstip van de kennisgeving ter discussie.

Vragen over recentere jaren rechtvaardigen het oudere onderzoek niet

De administratie verdedigde zich met het argument dat de vragen vóór 14 uur relevant waren voor recentere inkomstenjaren waarvoor de gewone onderzoekstermijn nog liep. Dat de antwoorden ook informatie over oudere jaren opleverden, zou daaraan niets veranderen.

Het hof volgde die redenering niet.

De administratie erkende dat de vragen vóór de overhandiging van de kennisgeving daadwerkelijk ook betrekking hadden op de inkomstenjaren 2013 tot en met 2016. De ondervraging was dus niet beperkt gebleven tot de recentere jaren.

Daarmee had de BBI al onderzoek naar de oudere jaren gevoerd voordat de vereiste kennisgeving werd overhandigd.

De aanslagen steunden op de onregelmatig verkregen verklaringen

Volgens de fiscus moesten de aanslagen ook bij een schending van de kennisgevingsplicht behouden blijven, omdat ze niet op de resultaten van het onregelmatige onderzoek zouden steunen.

Ook dat argument werd verworpen.

De kennisgevingen van aanslag van ambtswege verwezen naar het proces-verbaal van het gesprek. Bovendien kon geen onderscheid worden gemaakt tussen de verklaringen die vóór en na 14 uur waren afgelegd. Vóór de kennisgeving waren al vragen gesteld over de ontvangen inkomsten, de verrichte prestaties en de consultancyovereenkomst.

Het hof besloot dat de aanslagen wel degelijk mede steunden op het onregelmatige onderzoek. Gelet op de uitdrukkelijke nietigheidssanctie vernietigde het de aanslagen voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2017.

Waarom bleven de recentere aanslagen behouden?

Voor de aanslagjaren 2018 tot en met 2020 deed hetzelfde probleem met de onderzoekstermijn zich niet voor.

De belastingplichtige had bovendien een schriftelijke vraag om inlichtingen onbeantwoord gelaten. Zijn eerdere mondelinge toelichtingen bevatten niet alle gevraagde informatie. De administratie mocht daarom de procedure van aanslag van ambtswege toepassen, met omkering van de bewijslast.

Meer over de voorwaarden en gevolgen van die procedure leest u in ons artikel ‘Aanslag van ambtswege ontvangen: wat nu?’.

Inhoudelijk overtuigde de belastingplichtige het hof evenmin. De consultancyovereenkomst, het professionele mailverkeer, de bedrijfswagen en een visitekaartje met de functie ‘investor relations’ ondersteunden het bestaan van een beroepsactiviteit. De bewering dat de overschrijvingen uitsluitend financiële steun van een vriend waren, werd onvoldoende onderbouwd.

Ook de belastingverhoging van 50% bleef behouden wegens het bedrieglijk opzet dat het hof uit het geheel van de feiten afleidde.

Vernietiging sluit een subsidiaire aanslag niet uit

De vernietiging van de oudere aanslagen betekent niet dat de belasting voor die jaren definitief wegvalt.

Omdat de vernietiging niet op verjaring berustte, bood het hof de Belgische Staat overeenkomstig artikel 356 WIB 92 de mogelijkheid om binnen zes maanden na het arrest subsidiaire aanslagen voor te leggen. De debatten werden daarvoor heropend.

Het arrest zelf beslist dus nog niet over de geldigheid van eventuele subsidiaire aanslagen.

Wat betekent dit bij een fiscale controle?

Bij een onderzoek tijdens een verlengde onderzoekstermijn verdient ook het concrete verloop van de controle aandacht. Wanneer werd de kennisgeving bezorgd? Welke vragen waren voordien al gesteld? Op welke inkomstenjaren hadden die betrekking? En welke antwoorden werden vervolgens gebruikt om de aanslag te vestigen?

Dit arrest illustreert dat ook mondelinge vragen tijdens een gesprek in een brasserie onderzoekshandelingen kunnen vormen. Een kennisgeving die pas tijdens dat gesprek wordt overhandigd, kan daardoor te laat komen.

Wie met een fiscale controle wordt geconfronteerd, doet er daarom goed aan naast de inhoudelijke discussie ook de gevolgde procedure te laten onderzoeken. Beide kunnen bepalend zijn voor de geldigheid van de uiteindelijke aanslag.

Bron: hof van beroep Antwerpen 16 juni 2026, rolnummer 2024/AR/1089. De bespreking betreft artikel 333 WIB 92 zoals van toepassing op het betrokken onderzoek.

 
 

CONTACT

Aeacus Lawyers staat tot uw dienst voor al uw juridische vragen. U kan met ons geheel vrijblijvend contact opnemen via het onderstaande e-mailadres of door het onderstaande formulier in te vullen. Wij komen zo spoedig mogelijk bij u terug. 

bottom of page