Vage fraudekennisgeving bij verlengde onderzoekstermijn maakt belastingaanslag nietig
SamengevatWanneer de fiscus tijdens een verlengde onderzoekstermijn onderzoeksdaden wil stellen wegens vermoedens van fraude, moet hij de belastingplichtige vooraf schriftelijk en nauwkeurig informeren over de bestaande aanwijzingen van belastingontduiking. Die aanwijzingen moeten op dat ogenblik voldoende concreet zijn. Elementen die de fiscus pas tijdens het latere onderzoek ontdekt, kunnen een vage of gebrekkige kennisgeving niet achteraf aanvullen of herstellen. Het hof van beroep te Antwerpen oordeelde dat een algemene verwijzing naar een anonieme klacht over zwarte lonen en “gesjoemel met gasolie” niet volstond. De aanslag werd nietig verklaard. Omdat de vernietiging niet op verjaring berustte, kan de fiscus wel nog een subsidiaire aanslag voorleggen. |
Hierna bespreken we waarom het hof van beroep te Antwerpen de voorafgaande kennisgeving ontoereikend achtte en waarom later ontdekte elementen dat gebrek niet konden herstellen. We beperken ons daarbij tot de beoordeling in dit arrest. Voor een algemene toelichting bij het begrip fiscale fraude verwijzen we naar ons artikel “Fiscale fraude in België: wanneer is er sprake van fraude en wat zijn de gevolgen?”. Meer informatie over de toepasselijke onderzoeks- en aanslagtermijnen vindt u in “Belastingcontrole in België: rechten, termijnen en hoe u zich correct verdedigt”.

Fiscale visitatie na een anonieme klacht
De zaak betrof een vennootschap die internationaal actief is in de binnenvaart.
Op 28 juni 2016 voerde de belastingadministratie een onaangekondigde fiscale visitatie uit op de maatschappelijke zetel van de vennootschap. Daarbij werden delen van de server, computers en mailboxen gekopieerd. Ook werden documenten en andere stukken meegenomen voor verder onderzoek.
Bij aanvang van de visitatie overhandigde de administratie een kennisgeving waarin zij meedeelde dat zij de verlengde onderzoekstermijn wilde toepassen voor de aanslagjaren 2010 tot en met 2013.
Als verantwoording verwees de fiscus naar een anonieme klacht. Daaruit zou blijken dat:
een deel van de arbeidsprestaties van personeelsleden “in het zwart” werd betaald;
een bepaalde persoon het zwarte geld naar het personeel bracht; en
er sprake was van “gesjoemel met gasolie”, waarbij gasolie uit de lading zou zijn gestolen.
Na het onderzoek verwierp de administratie voor aanslagjaar 2013 een aanzienlijk bedrag aan kosten. Die kosten hielden verband met de exploitatie van schepen die ter beschikking waren gesteld van een Luxemburgse vennootschap. Volgens de fiscus waren de kosten gedeeltelijk verantwoord met valse fiches 281.50 en vervalste boordkassen.
De administratie vestigde uiteindelijk een bijkomende aanslag van 1.896.261,81 euro. Zij paste bovendien een belastingverhoging van 200% toe wegens het indienen van een onjuiste aangifte, gepaard gaande met valsheid of het gebruik van valse stukken.
Verlengde onderzoekstermijn wegens fraude vereist nauwkeurige aanwijzingen
Volgens het destijds toepasselijke artikel 333, derde lid WIB 92 kon de administratie haar onderzoeksbevoegdheden uitoefenen tijdens een aanvullende termijn van vier jaar.
Daarvoor moest zij de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze informeren over de aanwijzingen van fraude die voor de betrokken periode bestonden.
De administratie hoeft op dat ogenblik nog niet te bewijzen dat daadwerkelijk fiscale fraude werd gepleegd. Zij moet evenmin alle elementen bekendmaken die later tot het bewijs van de fraude kunnen bijdragen.
Er moeten wel voldoende concrete en geloofwaardige aanwijzingen bestaan. Wanneer de aangevoerde aanwijzingen onnauwkeurig zijn omschreven of uitsluitend berusten op vage of ongeloofwaardige veronderstellingen, is niet aan de wettelijke voorwaarde voldaan.
De voorafgaande kennisgeving is bovendien geen vrijblijvende formaliteit. Artikel 333 WIB 92 verbindt aan de niet-naleving ervan uitdrukkelijk de nietigheid van de aanslag.
Anonieme klacht was onvoldoende concreet
Volgens het hof van beroep te Antwerpen bevatte de kennisgeving van 28 juni 2016 onvoldoende nauwkeurige aanwijzingen van belastingontduiking.
De administratie vermeldde niet wanneer de anonieme klacht was opgesteld of ontvangen. Evenmin werd verduidelijkt op welke periode de klacht betrekking had. Daardoor kon niet worden nagegaan waarom de beschuldigingen relevant waren voor aanslagjaar 2013.
Ook de bewering dat personeelsleden gedeeltelijk in het zwart werden betaald, was volgens het hof te vaag. Uit de kennisgeving bleek niet:
over welke personeelsleden het ging;
of het administratief dan wel varend personeel betrof;
welke arbeidsprestaties werden bedoeld;
wanneer de betalingen zouden hebben plaatsgevonden; en
met welk aanslagjaar de vermeende zwarte betalingen verband hielden.
De vermelding van een persoon die het zwarte geld naar het personeel zou hebben gebracht, nam die vaagheid niet weg.
Ook de beschuldiging van “gesjoemel met gasolie” was onvoldoende uitgewerkt. De kennisgeving bevatte geen concrete informatie over het tijdstip, de plaats of de omstandigheden van de vermeende diefstal. Volgens het hof kreeg die beschuldiging daardoor het karakter van een louter gratuite veronderstelling.
Latere vaststellingen kunnen de kennisgeving niet herstellen
Het daaropvolgende onderzoek leverde volgens de administratie aanwijzingen op van ernstige onregelmatigheden, waaronder valse fiches en vervalste boordkassen.
Dat kon het oorspronkelijke gebrek in de fraudekennisgeving echter niet herstellen.
De geldigheid van de kennisgeving moet worden beoordeeld aan de hand van de aanwijzingen die op het ogenblik van de uitbreiding van de onderzoekstermijn aan de belastingplichtige werden meegedeeld.
Bijkomende toelichtingen tijdens de administratieve of gerechtelijke procedure zijn niet relevant. Zelfs wanneer achteraf effectief bewijs van fiscale fraude wordt gevonden, maakt dit een aanvankelijk gebrekkige kennisgeving niet alsnog geldig.
Het hof stelde bovendien vast dat de aanslag voor aanslagjaar 2013 gebaseerd was op onderzoeksdaden die tijdens de verlengde onderzoekstermijn waren verricht. De ongeldigheid van de voorafgaande kennisgeving leidde bijgevolg tot de nietigheid van de aanslag.
Antigoon-doctrine biedt de fiscus geen uitweg
De Belgische Staat kon de aanslag evenmin redden met een beroep op de Antigoon-doctrine. Die rechtspraak laat in bepaalde omstandigheden toe dat onrechtmatig verkregen bewijs toch in fiscale zaken wordt gebruikt.
Volgens het hof is een dergelijke belangenafweging hier niet aan de orde.
Artikel 333 WIB 92 bepaalt uitdrukkelijk dat de voorafgaande kennisgeving op straffe van nietigheid van de aanslag is voorgeschreven. Er moet daarom niet bijkomend worden onderzocht of de onregelmatigheid de rechten van verdediging van de belastingplichtige daadwerkelijk heeft geschaad.
Door de uitdrukkelijke wettelijke nietigheidssanctie volstond de schending van artikel 333, derde lid WIB 92 om de aanslag nietig te verklaren.
Het hof bevestigde daarmee het eerdere vonnis van de rechtbank van eerste aanleg. Het hoger beroep van de Belgische Staat werd ontvankelijk, maar ongegrond verklaard.
Belang voor fiscale controles
Het arrest bevestigt dat de fiscus bij het gebruik van een verlengde onderzoekstermijn voldoende precies moet handelen.
Een anonieme klacht kan mogelijk een aanwijzing van belastingontduiking vormen. Een algemene beschuldiging zonder voldoende feitelijke en temporele aanknopingspunten volstaat echter niet. Uit de kennisgeving moet kunnen worden afgeleid welke concrete gedragingen worden bedoeld en waarom die relevant zijn voor de onderzochte belastbare periode.
Belastingplichtigen die worden geconfronteerd met een onderzoek tijdens een verlengde termijn doen er daarom goed aan onmiddellijk na te gaan:
of vooraf een schriftelijke kennisgeving werd bezorgd;
welke aanwijzingen van belastingontduiking daarin worden vermeld;
of die aanwijzingen voldoende concreet en geloofwaardig zijn; en
of een duidelijk verband bestaat met de onderzochte aanslagjaren.
Een gebrek in de kennisgeving kan de nietigheid meebrengen van de aanslag die uit het verlengde onderzoek voortvloeit.
Toch nog niet het laatste woord
De vernietiging van de oorspronkelijke aanslag betekent in deze zaak niet noodzakelijk dat de belasting definitief van tafel is.
De aanslag werd vernietigd wegens een procedurefout en niet wegens verjaring. Daardoor kan artikel 356 WIB 92 worden toegepast. Deze bepaling laat de fiscus onder bepaalde voorwaarden toe om een subsidiaire aanslag ter beoordeling aan de rechter voor te leggen.
Het hof heeft de debatten daarom heropend. De Belgische Staat krijgt zes maanden, te rekenen vanaf het arrest van 15 september 2026, om een subsidiaire aanslag voor te leggen. De zaak werd opnieuw vastgesteld op 14 juni 2027.
Een subsidiaire aanslag is evenwel niet automatisch geldig. Het hof zal nog moeten beoordelen of de wettelijke voorwaarden zijn nageleefd en of de nieuwe aanslag inhoudelijk kan standhouden. Ook de overige argumenten van de belastingplichtige, waarover wegens de vernietiging van de oorspronkelijke aanslag nog geen uitspraak werd gedaan, kunnen daarbij opnieuw relevant worden.
Het arrest vormt dus een belangrijke procedurele overwinning voor de belastingplichtige, maar mogelijk nog niet het laatste woord in dit fiscale geschil.
Hof van beroep Antwerpen 15 september 2026, 2024/AR/1707


